** De prinses en het meisje van de straat - Reader**



Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 0: Vanaf het begin
Hoofdstuk 1: De aankomst van de koning
Hoofdstuk 2: Een brutale poging
Hoofdstuk 3: In het paleis
Hoofdstuk 4: Verraad in de nacht
Hoofdstuk 5: Ontsnapt! Maar weer gevangen genomen.
Hoofdstuk 6: Bij de rovers
Hoofdstuk 7: De kluizenaar
Hoofdstuk 8: Gescheiden van Aralyssia!
Hoofdstuk 9: Bij de heer Vanark, en het begin van een plan!
Hoofdstuk 10: Een schrik voor Myrra
Hoofdstuk 11: Weer terug bij de rovers: een tijd van leren
Hoofdstuk 12: Het gaat beginnen!
Hoofdstuk 13: Op stap met Petrol
Hoofdstuk 14: Gebeurtenissen in het bos
Hoofdstuk 15: Spionageplannen
Hoofdstuk 16: Spioneren bij de rebellen
Hoofdstuk 17: Terug bij de rovers: plannen smeden
Hoofdstuk 18: Op pad om mensen te verzamelen
Hoofdstuk 19: Gevaar in Karandi
Hoofdstuk 20: Myrra's leger
Hoofdstuk 21: Een speciale nacht in het bos
Hoofdstuk 22: Een spion in hun midden!
Hoofdstuk 23: Voorbereidingen
Hoofdstuk 24: De veldslag
Hoofdstuk 25: Weer op weg, een nieuwe aanval, en eindelijk Petrol!
Hoofdstuk 26: De bevrijding van de koning
Hoofdstuk 27: Het geheim van Gustav
Hoofdstuk 0: Voorstukje


Hoofdstuk 1: De aankomst van de koning


Het was druk in de haven. Mannen liepen heen en weer. Ze sjouwden met kisten, en trokken aan touwen. Zojuist was een grote boot aangekomen, en er was een hoop te doen. Even verderop kwam een koets aanrijden. De mannen op de kade hielden op met hun werk en keken bewonderend naar de koets. Wat een prachtig rijtuig was dat! Maar het was dan ook de koning die hier zojuist aangekomen was. De koning die voor onbepaalde tijd op hun eiland zou verblijven, omdat het voor hem in de hoofdstad te gevaarlijk was geworden. En een koning reed in zo'n prachtige koets. Het rijtuig hield stil voor de loopplank van het schip, en de koetsier sprong van de bok. De mannen op de kade keerden zich terug naar hun werk. Maar toch hielden ze allemaal een oog op de loopplank. Ze waren benieuwd naar hun koning en wilden hem graag zien.

Daar kwam hij aan. De mannen zagen een statige man in goed zittende kleding over de loopplank lopen. Naast hem liep zijn belangrijkste bediende die zijn heer op de loopplank goed vasthield. En achter hem liepen de koningin, ook met een bediende naast haar, en de prinses.
De mannen op de kade lieten hun werk nu helemaal vallen en namen hun petten af. Zwijgend keken ze toe hoe hun koning voet op hun eiland Elloara zette. De koning, de koningin en de prinses werden vanaf de loopplank naar de koets geleid en daar stapten ze in. De bediende van de koning stapte mee in. De overige twee bedienden bleven achter. De koetsier sprong weer op de bok, en daar ging de koets.
De mannen op de kade zagen de koets voorbij rijden. Ze probeerden door de ruitjes van de koets naar binnen te kijken, maar deze zaten te hoog. Voor ze het wisten was het rijtuig alweer voorbij. Hij verdween in de verte. De mannen zetten hun petten weer terug op hun hoofd; maar in plaats van weer aan het werk te gaan, bleven ze nog even met elkaar praten.

"Heb je de koning gezien?" vroegen ze aan elkaar. "Je kon de zorgen van zijn gezicht aflezen. Het moet daar in de hoofdstad inderdaad niet pluis zijn. Maar goed dat hij hier naartoe gekomen is. Hier is het gelukkig nog rustig. Als de rebellen hier ook maar niet komen. Maar we zullen ons eiland stevig verdedigen. Als het moet tot onze dood."
En met deze woorden gingen de mannen weer aan het werk. De koning was op hun eiland aangekomen, en er was een hoop te doen!

Prinses Aralyssia zat naast haar moeder in de koets en keek naar buiten.
"Malidara ziet er toch heel anders uit dan onze hoofdstad," merkte ze op. "Kijk die huisjes eens. Hoe prachtig wit. Het is net alsof ik op vakantie ben."
"Stil toch kindje," zei haar moeder tegen haar. "Je weet dat het geen vakantie is. Hou even op met je gebabbel. Je vader heeft hoofdpijn."
Prinses Aralyssia zuchtte onhoorbaar, en sloot haar mond. Door de raampjes keek ze naar buiten waar de stad aan haar voorbij gleed. In tegenstelling tot haar vader en haar moeder die het vreselijk hadden gevonden het paleis in de hoofdstad te moeten verlaten, vond zij het enig. Heerlijk was het om weer ergens anders te zijn. En Malidara zag er echt prachtig uit. De huisjes waren wit en schitterden in de zon. In de tuintjes bloeiden bloemen en bomen, en ook langs de weg stonden bloeiende bomen. De lucht boven de daken was helder blauw, en in de verte zag Aralyssia punten van heuvels opdoemen. Het zag er spannend uit, en ze hoopte dat ze hier weer buiten het paleis mocht komen.

Want dat had ze de afgelopen maanden wel gemist. Door alle onrusten in het land was de prinses gedwongen geweest binnen de muren van het paleis te blijven, en ze had alleen in de paleistuin kunnen spelen. Hier in Malidara hoopte ze weer naar buiten te kunnen. Maar ze wist niet of het kon. Het was haar nog niet verteld. Natuurlijk had ze haar ouders ernaar gevraagd, maar die hadden nog geen antwoord kunnen geven.
"Nog even geduld kindje," had haar moeder gezegd. "We moeten eerst kijken of Malidara echt zo veilig is als we hopen dat het is. De eerste dagen zul je nog binnen moeten blijven."
En dus zat Aralyssia in de koets en keek verlangend naar buiten. Oh, hoe verlangde het meisje ernaar in die straatjes te kunnen lopen. Aan de bloemen in de tuinen te kunnen ruiken, en de sfeer van de stad te kunnen opsnuiven. Ze hoopte dat het huis waarin ze zouden wonen een grote tuin had. Dat ze niet altijd binnen hoefde te zitten. Ze wist het niet. Ze was er nog nooit geweest.

Het was rustig in de straten van de stad. Natuurlijk waren er wel mensen, en die gingen eerbiedig voor de koets opzij. Ze namen hun hoeden en petten af, want ze wisten wel wie in de koets zaten. Het nieuws dat de koning naar hun eiland zou komen, was als een lopend vuurtje de stad rondgegaan; en iedereen wist dat hij vandaag aangekomen was. De koning merkte deze tekenen van respect nauwelijks op. Nadenkend zat hij in zijn koets. De man maakte zich zorgen. Het was niet niets geweest om zijn land en de hoofdstad te verlaten. Elloara was ook wel zijn land, maar dat was slechts een klein, afgelegen eilandje. Hij dacht aan de mensen op het grote land daarginds. Hij hoopte dat ze het goed maakte. Hij hoopte dat de goeden stand zouden kunnen houden, ook zonder hem, en dat de rebellen het niet zouden winnen.
De koningin was ook stil. Af en toe wierp ze een bezorgde blik op haar man. Ze vond het erg hem zo tobbend te zien. Met heimwee dacht ze aan het paleis thuis dat ze had moeten achterlaten. Ze hoopte dat ze hier een redelijk bestaan zouden kunnen opbouwen.

Nee, de enige die de mensen aan de zijkanten van de straat opmerkte, was Aralyssia. De prinses zat met haar hoofd voor het raam, en keek naar buiten. Het meisje was mensen die hun hoed voor haar afnamen heel gewoon, en ze knikte niet eens naar ze. Maar ze zag ze wel, en ze was blij dat de mensen hier zo hartelijk deden. Nergens zag ze een boze blik, iets wat ze in de hoofdstad tijdens de rit naar de boot wel had gezien. Die rit, het was haar eerste tocht buiten het paleis geweest sinds de rebellen zo talrijk waren geworden. En ze was geschrokken van hoe de stad in zo korte tijd was veranderd. De stad leek vijandig. Ze had veel norse gezichten gezien tussen de mensen die opkeken naar de koets. En toen de boot de haven had verlaten, was ze dan ook erg opgelucht geweest. Hier op Elloara leken de mensen aardiger, en Aralyssia was daar erg blij om. Ze was blij dat ze hier was.

Myrra leefde op straat. Al haar hele leven lang. In ieder geval zo lang ze zich kon herinneren. Ze had wel een plek waar iedereen samen kwam, waar ze haar moeder en haar oudere broer trof, maar dat was een smerige hoek onder een brug. Het stonk daar en Myrra kwam er niet vaak. Liever was het meisje op de straten van Malidara. En daar was ze al haar hele leven. Aan eten komen was makkelijk. Er waren veel vruchtbomen in Malidara. En de mensen hadden de gewoonte om hun overgebleven eten 's avonds naast de deur buiten op straat te zetten. Dus honger had Myrra niet vaak. Maar de straten van de stad waren gevaarlijk. 's Nachts als het donker was, kon je er als meisje beter niet zijn. Myrra wist dat en ze paste er wel voor op uit de handen van de ongure kerels te blijven. Als straatkind telde ze niet mee. Wanneer iets met haar gebeurde, zou niemand zich om haar bekommeren. Ook haar eigen moeder en broer niet. Nee, juist die niet. Haar moeder en haar broer zouden veel te blij zijn als ze eindelijk van het meisje verlost waren. Die nare dochter die hun zo tot de bedelstaf had doen vervallen.

Daar was Myrra vaak verdrietig over. Ja, het meisje voelde zich alleen. Heel graag had ze een fijne familie gehad. Lieve mensen die om haar gaven. En meer dan eten en drinken, meer dan elke rijkdom ook, wenste ze een thuis. Een plek waar ze hoorde, en waar ze haar zouden missen als er wat met haar gebeurde.
Vaak gluurde Myrra door de raampjes van de huizen naar binnen. Oh, bij die familie te kunnen horen! Daar zo te kunnen zitten. Maar ze was vies en ze stonk. Niemand mocht haar.


Toen, op een middag, was er grote opwinding in de stad.
"De koning komt!" werd geroepen. "Zijn schip ligt in de haven."
Myrra was erg nieuwsgierig naar hoe een koning eruit zag. Samen met vele anderen haastte ze zich daarom naar de haven van de stad.
Daar in de haven was het al een drukte van belang. Een heleboel mensen waren gekomen om de koning te zien. Ze hadden zich op de kade verzameld en praatten druk met elkaar. Myrra mengde zich ertussen en luisterde naar de gesprekken die rondom haar werden gevoerd.
"Ze zeggen dat hij uit de hoofdstad is weggevlucht," hoorde ze een vrouw aan twee mannen vertellen. "Er schijnt daarginds oproer te zijn. Mensen die de koning niet willen."
"Nou, ik hoef hem ook niet echt," antwoordde een van de twee mannen terwijl hij op de steel van zijn pijp kauwde. "Ik bedoel, nooit is hij hier, dus we kunnen makkelijk zonder hem."
"Ssst," waarschuwde een andere vrouw die mee had staan luisteren plotseling. "Daar komt hij."
Iedereen rekte zijn hals om de loopplank te zien waarop nu verschillende mensen van de boot af kwamen.
"Is dat hem?" vroeg de man met de pijp verbaasd toen hij de koning zag lopen. "Wat een eenvoudige man. Is dat onze koning?"

Myrra probeerde ook te kijken, maar ze was klein, en de mensen stonden voor haar. Ze kon niet veel zien. Maar uit de opmerkingen om haar heen leidde ze af wat er gebeurde.
"Ze stappen nu in de koets."
"Wat een prachtig ding is dat, he? En moet je die paarden zien!"
"De koets gaat nu rijden!"
"Pas op, hij komt hierheen!"
"Allemaal aan de kant!" riep de koetsier vanaf de bok. "Vooruit, de koning moet erdoor."
Samen met de andere mensen ging Myrra vlug aan de kant. Net op tijd, want daar reed de koets rakelings langs haar heen. Vlug keek Myrra omhoog, hopende nog een blik van de koning op te kunnen vangen. Ze was verbaasd toen ze recht in het gezicht van een meisje keek. Een meisje! Een prinses?
Daar was de koets alweer voorbij. Myrra bleef verbluft achter. Haar fantasie begon te werken. Een echte prinses! Het meisje in de koets had er aardig uitgezien. Hoe zou het zijn te leven als een prinses? Dat meisje wist het. Oh, als ze het haar eens kon vertellen! Als zij voor een dag ook eens prinses zou kunnen zijn! Even maar. Om te weten hoe het is!


Volgend hoofdstuk:
Hoofdstuk 2:
Een brutale poging

Overzicht verhalen
Informatie & voorwaarden
Home
Aanwezige users:


Niet ingelogd



Anno 2012
Pages created by nanny