** Twee wegen en een driesprong - Reader**



Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 0: Vanaf het begin
Hoofdstuk 1: DEEL 1 -Dominic en ik-
Hoofdstuk 1: Ups and downs
Hoofdstuk 2: My heart will go on and on...
Hoofdstuk 3: De opening van mijn ogen
Hoofdstuk 4: Gestoorde jongens
Hoofdstuk 5: Linde
Hoofdstuk 6: Mijn dagboek
Hoofdstuk 7: De extase van een wedstrijd
Hoofdstuk 8: Een avontuurlijke avond
Hoofdstuk 9: I'm losing control
Hoofdstuk 10: Gebroken
Hoofdstuk 11: Gala en Linde
Hoofdstuk 12: War in my life
Hoofdstuk 13: Overwinning
Hoofdstuk 14: Stan
Hoofdstuk 15: Overweldiging
Hoofdstuk 16: Een pijnlijke bekentenis
Hoofdstuk 17: Starende ogen zijn verliefd
Hoofdstuk 18: Eén na laatst
Hoofdstuk 19: Bericht aan Dominic


Hoofdstuk 6: Mijn dagboek


22 juli 2011, DTC

Vandaag zijn we teruggekomen uit Shqipëria (Albanië). Ik kan maar niet begrijpen dat het nog heel lang duurt voor ik er weer ben. Steeds zie ik de straten van Saranda en Delvinë, loop ik erdoor. Ik zie Gentian, dat kleine jochie dat mijn hart heeft gestolen met zijn donkere zigeuner koppie. Ik zwem…; nu met Eddi, die zoveel op zijn broer Landi lijkt. Ik praat met Klodi, kijk hoe hij gitaar speelt. Hij is een nieuwe en goede vriend voor mij. Ik speel met Gitea, die mij na twee jaar nog kent. Ik was net in Albanië toen zij geboren werd. Nu is ze zes jaar. Nu loop ik over de boulevard met Ilir, Klodi en Mario. In Albanië dacht ik dat ik alles los kon laten, zeker toen ik bij ons huis was. Ja; dat huis. Het voelt niet meer van ons. Maar nu ik in Nederland ben, weet ik dat ik Shqipëria niet kan loslaten. Ik hou van het land en de mensen. Shqipëria voelt als mijn vaderland. Nederland lijkt koud en kil – en dat is het ook. En ik kan maar niet bevatten dat ik Albanië op z’n minst twee jaar niet meer zie. 2 jaar! Nu ik terug ben, weet ik het. Shqipëria was mijn thuis en dat zal het altijd blijven. Ik voel het; en eigenlijk was het altijd al zo. In Albanië verlangde ik naar Nederland, maar als ik in Nederland was, verlangde ik zo veel meer naar Shqipëria!
Ik heb nu al heimwee. En ik ben net een paar uur in Nederland.
Ik wil naar huis.



Shqipëria, unë të dua ty!
Por ti je nuk afër ketu. Ti je shumë largë!
Trupin timë është ketu, por zemren time është në…
Shqipëri.
Në Shqipëria është Ilir. Nuk ketu.


Ik las het laatste stuk nog een keer.

Albanië, ik hou van jou!
Maar je bent niet dichtbij. Je bent juist heel ver weg!
Mijn lichaam is hier, maar mijn hart is in…
Albanië.
In Albanië is Vrijheid. Niet hier.


Plotseling besefte ik dat dit helemaal niet het verhaal was dat ik had willen lezen. Dit was het verkeerde! Dit was het verhaal dat ik na mijn thuiskomst gauw neergepend had. Maar waar was dan het stuk over de reis naar Albanië?
Ik bladerde even verder. Algauw had ik het gevonden.


5 juli 2011

Vandaag gaan we naar Albanië! Vandaag begint het. Praat niet – luister alleen.

Ik was opgewonden. Logisch. Om zes uur ’s ochtends stond ik op. om half zeven kwam Linde met haar familie. Iets over half zeven vertrokken we. We reden die dag naar Praag. We stopten in verscheidene plaatsjes om oude kerken en kastelen te bekijken. Dat is een favoriete bezigheid van mijn vader. Tja.
Daarna verdwaalden we bijna door de omleidingen in al die boerenwegen. ’s Avonds laat. Eindelijk: Praag. We logeerden in een klein hotelletje. De volgende dag bekeken we Praag en we kwamen nog een bekende familie tegen – de familie van Esmee. We gingen naar een winkel en daar werkte een knappe jongen die Brigádník heette. (Tenminste, dat denken we, want dat stond op zijn naamkaartje. Maar het zou net zo goed ‘winkelmedewerker’ kunnen betekenen.) Evi maakte heel stiekem een foto van hem. In Praag gingen we naar een kasteel en daar stonden twee mannen op wacht. Wij lachten een van hen erg uit. Tenminste, wij probeerden hem aan het lachen te krijgen. Linde had een rolletje mentos en dat gooiden we voor hem neer. Wij hoopten dat hij hem op zou pakken. De soldaat keek naar beneden en schopte het rolletje weg! Echt keihard, je hoorde echt zo – boem!



Ik moest lachen toen ik het las. Echt mijn manier van dit op schrijven. Ik herinnerde me het voorval nog als de dag van gisteren. Wat was die man boos geweest!
Snel las ik weer verder.

De man trapte het rolletje nota bene tegen een man aan. Wij zijn heel hard weggerend. Dat was zes juli. De volgende dag reden we door Slowakije en Hongarije naar Servië. Daar waren we weer verdwaald en iedereen was chagrijnig. Onderweg keken we wie er bij het tankstation het beste kon ramen zemen. Ik weet het. Heel dom, maar leuk als we ons vervelen. Daniél won, maar Honza was ook erg goed. (Goed hé, dat ik al die namen onthoud!)
’s Avonds aten we in een restaurantje dat Priça heette. Daar was een best wel knappe ober en wij zaten hem de hele tijd een beetje te plagen zodat hij rood werd.
8 juli, vrijdag, kwamen we aan in Albanië!
We reden door Kosovo en hebben in Pristina cup-a-soup gegeten bij gebrek aan beter, voor een overheidsgebouw. Het mocht waarschijnlijk alleen maar, omdat papa Albanees ging praten tegen de bewakers. Over de snelweg bij Kukës reden we Albanië in. We kwamen al direct een van de typische Albanese dingen tegen: koeien op de snelweg! Toen we daar reden, rook ik voor het eerst weer die sterke geur van brem en bergthee. Ik sloot mijn ogen en zoog de geur diep in. Het voelde alsof ik eindelijk thuis kwam…



We kwamen heel laat aan in Tirana, de hoofdstad van Albanië. We sliepen in een hotel.
9 juli, we reden van Tirana naar Saranda. Saranda, daar hadden we vlakbij gewoond. Ik ging altijd naar school in Saranda. Toen we steeds zuidelijker kwamen, begon ik al dingen te herkennen. Ik merkte dat we nu wel in bekend gebied kwamen. Ik dacht steeds: Wees blij. Je hebt terug wat je wilde – Albanië. Ik was wel blij, natuurlijk, maar het voelde normaal. Die twee jaren in Nederland… het leek zo kort en ver weg. Het was meer alsof ik na een vakantie thuiskwam. Maar het voelde ook niet normaal, gewoon bekend! Ik begreep mezelf niet meer, ik wist niet wat ik nou voelde en ik weet het nog niet. Ik dacht: neem alles goed in je op, voor later. Maar alles voelde zo bekend, het was niet nodig. Ik weet het niet meer. Toen dacht ik ook: ik kan het loslaten. Ik ben niets eens opgewonden en blij en zo. Maar later kwam ik erachter dat ik het nooit los zou kunnen laten. Het was gewoon zó normaal, zó bekend. Alsof ik al die tijd er gewoon elke dag had gereden. Ik weet het echt niet meer. Echt niet meer.




Ons appartement was bij dhr. Vaso. Linde en ik gingen direct die eerste avond al brood halen. Ik ben het Albanees nog niet verleerd! ’s Avonds gingen we naar de boulevard, Linde en ik. Dat hebben we elke avond gedaan, min twee keer.
Die boulevard is zooooo cool. De jongens zeggen allemaal: “Hi Sweety!” en: “Oh, beautiful!” En: “Sa të bukura!” dat betekent: Wat zijn ze knap!
Dat is echt grappig.

Nu ga ik over Shqipëria vertellen. Ik weet niet meer wat we welke dag deden. Dus ik vertel alles wat ik nog weet.

Zondag: Naar Delvinë. (Daar had ik vijf jaar gewoond.) Heerlijk. Zo vertrouwd! Ik zag al die bekende en dierbare mensen terug. Al mijn vroegere vrienden…
Echt fantastisch om die na twee jaar weer te zien. ’s Avonds boulevard.

Maandag: Niet veel gedaan. Een beetje gezwommen. (Saranda ligt aan zee.)
Een beetje door de stad geslenterd en zo. ’s Avonds boulevard. (Het boulevard verhaal vertel ik helemaal op het eind…)




Dinsdag: We gingen naar Blue Eye. Dat is een hele diepe bron, van meer dan vijftig meter diep. Het water is er een graad of twee, drie. IJskoud dus. Het water is heel helder en er groeien allemaal bijzondere dingen. Als je vanaf een soort balkon van vijf meter daar boven kijkt, lijkt het net een felblauw oog. Vandaar de naam Blue Eye.
Mijn broers waren er vroeger mee begonnen om vanaf de balustrade in het water te springen. Dat is heel gevaarlijk, want de stroming is heel sterk. Eens was Ricardo bijna meegesleurd door het water.
Algauw waren wij ook van de vijf meter hoge helling in het water gaan springen. En alle mensen kijken. Zij durven nog niet eens hun hand in het water te steken, omdat ze het te koud vinden. En dan zeilen wij opeens voorbij.
Dit keer sprong zelfs Jurrian erin. Wij stonden hem natuurlijk wel beneden op te wachten, stel je voor dat hij werd meegesleurd!
Er was ook een Kosovaar en die zag dat wij er steeds in sprongen. Dat wilde hij natuurlijk ook wel eens proberen. Twee keer klom hij op de reling… en klom er weer af. Hij durfde niet!
En die vent was vijfentwintig of zo, en mijn broertje acht!
Na die Kosovaar ging Jurrian weer. Nu moest die Kosovaar natuurlijk ook wel springen. Iedereen begon hem flink aan te moedigen en weer ging hij van de reling af!



Wij lachten hem natuurlijk heel hard uit. Later is hij nog wel gegaan.
’s Avonds boulevard.

Woensdag: Evi had heel erg hoofdpijn. Wij gingen daarom naar de markt en kochten heel veel fruit. Daarna gingen we waterfietsen op de zee. Er was een man en die had een octopus geharpoeneerd. Voor mij niet zo’n onbekend verschijnsel, omdat een Albanese vriend van me, Eddi, dat ook altijd deed.
Linde daarentegen vond het heel eng! Ik niet, want Eddi legde zo’n beest wel eens levend om mijn nek… Jurrian ging met zijn vinger in de kop van dat beest wroeten. Echt heel vies.
De man vond het heel cool dat we Hollanders waren en dat ik Albanees kon. Meteen een heel verhaal over voetbal en het WK….
’s Avonds pizza gegeten en naar de boulevard geweest.


Donderdag: We gingen naar een zomerkamp in Bunec. Ik wilde eerst niet mee, omdat we er al vaker waren geweest en ik had het nooit zo leuk gevonden. Het was een kamp waar allemaal Albanese kinderen een weekje heen mochten. Dan gingen ze zwemmen en deden spelletjes, en zo. Ik ben toch maar mee gegaan, gelukkig!
In het kamp hadden ze eindelijk nieuwe tenten. Eindelijk, die oude waren zo versleten.
Toen ik Maarten zag, moest ik heel hard lachen. (Maarten is ook een Nederlander, maar hij woont in Albanië. Hij is vijftig, of zo.) Maartens kleren waren echt bespottelijk. Hij had sandalen aan met geitenwollen kousen een blouse waar al zijn borsthaar overheen kwam… Buuuh!! En dat met bijna veertig graden…
We hebben de hele dag gezwommen, met Eddi, de octopussen jager. Op het strand zaten vier jongens en eentje leek zoveel op Dominic, dat mijn hart even stil stond. Ik besefte dat ik deze vakantie amper aan hem had gedacht. Ik had hem graag mijn vaderland laten zien, maar oké. Hij ging met een vriend op vakantie.


Als ik nu mijn ogen dicht doe, zie ik hem weer. Hij leek echt heel erg op Dominic…

Toen we thuis kwamen, merkte ik dat ik heel erg verbrand was… ik had ook beter uit moeten kijken. Ik heb een heel lichte huid met sproeten en rood haar. Tja, dan verbrand je gauw.
’s Avonds natuurlijk weer boulevard!



Vrijdag: Beetje uitgerust. Ik was op de een of andere manier helemaal op. voor mijn gevoel liep ik als een zombie door de stad en als iemand tegen me praatte, drong het niet tot me door. Ik was heel duizelig. We hebben niet zo veel gedaan. ’s Middags gingen we naar een paar vrouwen in Delvinë. Flora heeft zulke schattige kinderen… Kristina, Leonora, Anxhela, Elina en Gentian. Gentian is zo’n lief, donker zigeunerjongetje!
Ik zag dat een andere vrouw nu in een oude school woonde zonder ramen. Vreselijk koud in de winter!
Afschuwelijk gewoon, een kaal, koud hok met scheuren in het dak…
Die avond geen boulevard…

Zaterdag: We zijn al heel vroeg naar Pasqyra gegaan. Pasqyra is een strand en het betekent: spiegel. Het water was inderdaad zo glad als een spiegel. Een keer maakte ik mee dat golven van drie meter hoog waren!
We hebben de hele dag gezwommen en gekanood. Toen we weggingen moesten we de berg weer op, over een zandweg. Onze auto trok het niet…
Wij gingen lopen en nog kwam hij de berg niet op. Gelukkig kwamen we de vader van een Albanese vriendin tegen en die hielp ons. Na veel slippen kwamen we eindelijk de berg op. ’s Avonds gingen we met z’n allen naar de boulevard. Jurrian ging nog soort bungee-jumpen.




Zondag: we gingen weer op bezoek bij verschillende mensen. We kwamen nog wat Grieken tegen, die we al eerder hadden ontmoet op vakantie in Griekenland.
Was wel grappig, want een jongen, Nari, zat de hele tijd naar Linde te staren. Hij deed haar de hele tijd precies na! Wij Linde natuurlijk lekker pesten…
We kwamen nog onze taxi chauffeur tegen, die Jurrian, Evi en mij altijd naar school had gebracht. Mijn voorspelling kwam uit, hij kneep Jurrian helemaal fijn!
’s Avonds geen boulevard.

Maandag: ’s Ochtends beklommen we een berg bij Delvinë. Daarna gingen we op bezoek bij onze oude huis. Onze hond was dood en de mensen die er wonen hebben nu een nieuwe hond. Bonna, onze hond, was veel liever. Ze hebben veel in ons huis verandert. Ze hebben een afdak gebouwd boven de Veranda en heel veel druiven zijn weg. Toen ik er door heen liep, wist ik het, en ditmaal echt zeker: dit huis heeft voor mij geen waarde meer. Dít kan ik loslaten, als enige, omdat die familie het heeft verpest. Er is zoveel verandert!
Bah, ik zit hier bijna te janken. Ik schrijf morgen wel verder.


Na het koffiedrinken in ons oude huis, gingen we wandelen. Naar de Rode Berg, de Grote Stenen, de boom waar de dode vos had gehangen, Ricardo’s schaapherderhutje. Toen we daarboven waren, hield ik het niet meer. Ik ben blijven zitten en zei dat mijn verbrande benen zeer deden. Ik kón niet verder gaan. Het deed te veel pijn. Al die bekende plekken, waar ik een heel deel van mijn jeugd had rond gezworven… ik kon het niet.
Daarna gingen we weer terug naar Saranda. We gingen koffers inpakken. Morgen gingen we weg.
’s Avonds moesten we op Jurrian passen, omdat papa en mama nog op bezoek moesten. Wij konden daarom maar van zeven tot acht uur naar de boulevard…
Nu zal ik het verhaal vertellen van de jongens, Paars Shirt, Ilir, Klodi, Mario, Henri…




Al op een van de eerste dagen liep er een jongen voor ons. Hij keek de hele tijd achterom. Ik en Linde sprongen op een gegeven moment een winkeltje in, dus toen hij weer omkeek, waren wij weg. Hij keek nogal beteuterd. Hij rookte steeds jointjes. En het is me gelukt één keer te zwaaien.
De jongen ging met zijn vriend in een cafeetje zitten, boven de boulevard. Steeds als wij langs kwamen, zaten ze te staren en draaiden ze hun hoofd zodat ze ons zo lang mogelijk konden zien. Eén keer haalden we een ijsje met het hele gezin. Ze liepen achter ons en gingen heel stiekem op de reling naast ons zitten tot we klaar waren. Deze jongen had lichte, kleine krulletjes, kort. Wij noemden hem Paars Shirt, omdat hij steeds een paars shirt aanhad.

Een andere keer liepen we op het strand en twee jongens zeiden: “Hi Sweeties!”
Wij lachten en liepen door. Tien meter later haalden ze ons in, zeiden: “How are you?” Ik zei: “Good!” zwaaide en liep weer door.




Dan heb je nog de kelner van een restaurant. Dialoog tussen mij en die kelner.
Kelner: “Hi Ladies!” (Hij kon supergoed Engels!)
Ik: “Hoi.”
Kelner: “Komen jullie in mijn restaurant? Ik heb seafood en bla bla bla.”
Ik: “Nee, dank je, we hebben net gegeten.”
Kelner: “Waar komen jullie vandaan?”
Ik: “Holland!”
Kelner: “Oh, Holland! Voetbal! Robin van Persie, Arjen Robben…” (Met de r op zo’n echte, Engelse, bekakte manier.)
Ik: “Ja, en Wesley Sneijder!”
Kelner: “Ja, oh ja! Ik hou niet van voetbal, maar als Holland speelt, kijk ik altijd. Net zo lang tot het voorbij is. Dan laat ik mijn restaurant gewoon in de steek!”
Ik: “Ja ja, leuk hoor.” (Die vent verveelde me nogal.)
Kelner: “Bye!”
Ik: “Goodbye!”
En toen legde hij zijn arm nog om mijn schouders. Wát een flirt. Dat was die kelner. Hij was trouwens wel knap. En toen pestte Linde me steeds dat ik verliefd op hem was…



Een ander verhaal. Het lange verhaal over drie supercoole jongens.
Evi ging een keer naar een internet café. Er zat een jongen voor en die wachtte tot ze naar buiten kwam. Toen ze klaar was, liep hij met haar mee naar huis. Evi vond dat helemaal niet leuk en ging daarom heel hard lopen. Hij ook, hij liep helemaal tegen haar aan… Thuis keken we heel stiekem vanaf het balkon wie die rare jongen nou eigenlijk was. We wisten het niet en we noemden hem Gele Zwembroek, omdat hij die aanhad.
’s Avonds lopen we met het hele gezin over de boulevard. En wie loopt er ook? Gele Zwembroek! Wij lachen… Papa hele tijd waarschuwen: “Je gaat niet met hem praten, hoor!”
Papa, mama en Jurrian gingen weer naar huis. Evi, Linde en ik kochten een groene suikerspin. We gingen op een trapje zitten.



Komen er drie jongens langslopen. Ze liepen ons voorbij en eentje draaide zich om en zwaaide naar mij. Ik zwaaide heel blij terug. Die jongen: “Yes, yes!”
Ze kwamen terug en wat bleek, Gele Zwembroek was er ook bij!
Ze stelden zich voor. Die van ‘yes, yes’ bleek Mario te heten. Klodi, een vreselijk knappe zigeuner en Ilir: Gele Zwembroek. Wij zagen dat hij eigenlijk best knap was. We gingen met hen praten. Oei, daar ging papa’s waarschuwing. Ze vroegen of Linde een foto wilde maken, want zij had haar camera bij zich. Dat deed ze, van Ilir en Mario. Mario vroeg aan mij: “Wie is er knapper, Ilir of ik?”
Ik zei: “Mario!” toen gaf hij me een high-five. Hij vroeg het een paar keer en steeds zei ik dat Mario knapper was. Daarna ging ik met Mario op de foto en daarna ook Evi met Ilir. Mario vroeg wéér wie er knapper was, dus zei ik nu voor de grap: “Ilir!”
En toen moesten we heel hard lachen…
En Klodi zei dat Linde mooie ogen had… het was wel zielig voor Linde, want Evi en ik zaten steeds te praten met die jongens in het Albanees en dat kon zij niet. Mario bood ons ook nog joint aan, maar die sloegen we maar af.



Mario zat echt uit zijn nek te kletsen. Eerst zei hij dat hij uit Lushnje kwam, maar wij hoorden duidelijk dat hij een Sarandees accent had. Later vertelde hij dat hij uit Griekenland kwam. Ja ja. Maar toen gingen wij voor de lol maar Grieks praten. (We kunnen tien woordjes, van een Grieks vriendje geleerd…)
Ilir zei nog heel stoer: “Ja, ik ben met Evi mee naar huis gelopen!”
Tja.
Later vroegen ze steeds of we rondjes gingen lopen met hen of koffie drinken, maar dat hebben we afgeslagen.
Dat was de eerste avond.
De dag erna zagen we ze weer. Maar toen was Mario er niet en we hebben amper gepraat. Alleen een beetje hand gegeven en zo.



De dag er op was het echt gezellig. Mario was er weer niet. We hebben de hele boulevard op een neer gewandeld. Bij een winkel kregen we een stuk papier en daar zetten we onze facebook op. Ilir zei dat hij Bobo heette. Wij kwamen niet meer bij van de lach. BOBO! Dat is zo’n blauw konijntje…! Maar hij wist dat natuurlijk niet en keek heel beledigt… Echt grappig.
En toen kwam Paars Shirt langs. Hij keek heel zielig toen hij ons bij Ilir en Klodi zag staan. Ze vroegen weer of we een rondje gingen lopen door Saranda en dit keer wilden we wel, maar het was de laatste avond en we moesten op Jurrian passen.
Dus namen we afscheid…
Ik vond het echt stom om te bedenken dat we ze nooit meer zien…

Die avond gingen we onze nagels lakken. Op de verdieping onder ons woonden een stel mannen en er stond nu een groepje jongens voor de poort voor hen. Ik was in een jolige bui en zwaaide. Ze zwaaiden terug en even later kwamen er twee naar boven. We waren bang dat ze naar ons kwamen, maar ze gingen naar de verdieping onder ons. Even later gingen ze met ons praten. Ze vroegen of we naar hen toe kwamen, maar wij zeiden: “Ja daag! Kom maar hier!” Dat deden ze nog ook! de ene heette Henri en hij had een flesje in zijn broek. Laten we zeggen; op een heel vreemde plek. Dat zag er heel gek uit, dus wij lachten keihard. En die vent zat een beetje te kijken, van: wat is er nou weer aan de hand?


Toen ik dit stukje las, moest ik heel hard lachen. Ik weet nog hoe Linde me stiekem op dat flesje attent had gemaakt. De dop van het flesje stak net boven zijn broekrand uit…

Ze vroegen de hele tijd of we koffie kwamen drinken en dat ging ongeveer zo:
“Komen jullie koffiedrinken?”
“Nee,” zei Evi. En toen in het Nederlands: “Ik hoef die smerige Turkse koffie van jullie niet.”
“Wat?” zei die jongen, want die kon natuurlijk geen Nederlands. “Waarom komen jullie niet?”
“We moeten op ons broertje passen.”
“Dan neem je hem toch mee!”
“Nee, dat doen we niet.”
Ik wist dat we moesten uitkijken met die Albanese jongens. Ze konden heel onberekenbaar zijn en papa had ons er goed voor gewaarschuwd. Oké, Ilir en zo, ging nog. Maar je moest niet als meisje met een kerel meegaan koffiedrinken in hun huis.



(Linde praatte niet, want die kon geen Albanees.)
“Oh,” zei Henri. “Maar dan kan je kleinste zusje (Linde dus) toch op je broertje passen? Dan kunnen jullie twee mee.”
“Nee, dat doen we niet,” wees Evi weer de boot af.
“Oh.”
Poosje later ging Jurrian naar bed. Direct vroeg Henri weer: “Kom je koffiedrinken?”
“Nee.”
“Heb je daar problemen mee, dan?” vroeg hij op zo’n echt zeurderig toontje.
Evi: “Ja, daar hebben we heel veel problemen mee!”
En toen gingen ze weg. Die ene zei nog tegen mij, alsof hij mijn vader was: “Je mag geen dingen naar beneden gooien!” daarbij keek hij naar mij alsof ik hun hele balkon onder had gegooid. Ze waren zeker chagrijnig.
Dus toen gingen wij expres knijpers naar beneden gooien en met Jurrians balletjespistooltje schieten. Maar ze reageerden niet, dus gingen wij naar binnen. Even later hoorden we: “Boem.”
Er lag een knijper voor de deur. Maar Henri had dat niet gedaan. Even later weer. Dus ik vroeg aan een jongen die tegenover ons op een balkon stond wie dat gedaan had. Hij zei: “Daar zo.”



Ik ging kijken, maar ik zag niemand. Ik verveelde me, dus knoopte ik een praatje met die jongen aan. Evi en Linde kwamen er even later ook bij. Evi vroeg om een sigaret en ik kon die net pakken over het balkon heen, naar de andere kant. Maar Evi had geen aansteker. Die kreeg ze ook nog en toen ze hem probeerde terug te gooien, viel hij naar beneden, tussen de twee balkons. Na een tijdje ging Evi weer weg en ik praatte weer met de jongen. Hij vond mij knap en vond het heel goed dat ik Albanees kon!
Even later kwamen er steeds meer jongens bij, als katten die eten krijgen. Zeven op het balkon tegen over ons, eentje ernaast, vijf op een balkon verderop, nog een paar daarnaast en nog drie op een dak. Ze zaten allemaal te lachen en te fluiten en te praten. En het was donker, dus wij zagen ze niet eens!
Linde kwam op het geniale idee om foto’s te maken met flits. Nu konden we ze bekijken op haar camera. Die ene jongen waar ik steeds mee had gepraat, had alleen een afgeknipte spijkerbroek aan. Hij was heel knap!
Toen we een foto nog een keer bekeken, zagen we een heel lelijke vent in z’n onderbroek! Dus wij gingen heel hard gillen…
Die knappe jongen vroeg: “Komen jullie morgenavond weer?”
Maar wij gingen morgenochtend weg…



Dus ik zei: “Nee, we gaan morgen naar huis!”
“Naar Nederland?”
“Ja,” zei ik.
“Mag ik mee?” vroeg de jongen. (Hij heette Gesti.)
“Dat past niet, de auto is vol.”
“Oh, maar dan ga ik zitten en dan ga jij op schoot bij mij!” zei hij.
Ik schoot in de lach. Het klonk zo grappig.
En toen gingen die drie jongens op het dak tegen mij praatten. “Hoe oud zijn jullie?” vroegen ze.
“Ik ben veertien,” zei ik. “Zij is vijftien en die andere zestien.”
“Oh,” zeiden de jongens. “Die van vijftien is voor mij, die van veertien voor jou en jij mag die van zestien!”
Alsof we uitgehuwelijkt werden!
Opeens hoorden we voetstappen op de trap. Papa en mama!
Wij vlogen zo snel mogelijk naar binnen, want we hadden geen zin in gezeur. We mochten immers niet met die jongens praten!



Hier stopte mijn dagboek. Ik herinnerde me, dat de volgende ochtend Gesti ons nog uitzwaaide. Hij stond bij de poort en wenste ons een fijne reis. En dat om zes uur ’s ochtends!
Dat vond ik wel schattig van hem.
Albanië… was ik daar nog maar!
Daar stonden alle jongens om je te springen, in plaats van dat ze je niet kenden!
Oh, Dominic…
Overmorgen het voetbaltoernooi!
Overmorgen zou ik Dominic voor het laatst in actie zien…









Volgend hoofdstuk:
Hoofdstuk 7:
De extase van een wedstrijd

Overzicht verhalen
Informatie & voorwaarden
Home
Aanwezige users:


Niet ingelogd



Anno 2012
Pages created by nanny