** Twee wegen en een driesprong - Reader**



Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 0: Vanaf het begin
Hoofdstuk 1: DEEL 1 -Dominic en ik-
Hoofdstuk 1: Ups and downs
Hoofdstuk 2: My heart will go on and on...
Hoofdstuk 3: De opening van mijn ogen
Hoofdstuk 4: Gestoorde jongens
Hoofdstuk 5: Linde
Hoofdstuk 6: Mijn dagboek
Hoofdstuk 7: De extase van een wedstrijd
Hoofdstuk 8: Een avontuurlijke avond
Hoofdstuk 9: I'm losing control
Hoofdstuk 10: Gebroken
Hoofdstuk 11: Gala en Linde
Hoofdstuk 12: War in my life
Hoofdstuk 13: Overwinning
Hoofdstuk 14: Stan
Hoofdstuk 15: Overweldiging
Hoofdstuk 16: Een pijnlijke bekentenis
Hoofdstuk 17: Starende ogen zijn verliefd
Hoofdstuk 18: Eén na laatst
Hoofdstuk 19: Bericht aan Dominic


Hoofdstuk 4: Gestoorde jongens


‘Aan de kant!’
Ik stuurde gauw mijn fiets aan de kant. Wie was dat?
Jess! Wat ging hij uitvoeren?
JeanLuc en Evan die voor me fietsten, gingen niet snel genoeg aan de kant en ging Jess dus maar door het gras er langs. Het ging zo snel dat hij z’n evenwicht niet kon houden en hij kukelde in de sloot naast het fietspad.
Ik probeerde hem nog tegen te houden, maar dat lukte niet. Ik liet hem gauw los, anders sleurde hij me nog mee.
Hij rolde in de sloot met de fiets bovenop hem en ik kon het niet laten in lachen uit te barsten. ‘Jess!’
‘Oh…’ kreunde hij.
‘Hm, gelukkig staat er geen water in!’ zei ik.
‘Nou zeg… daarom doet het nog wel zeer…’
Ik stapte van mijn fiets en trok hem omhoog. ‘Sukkel ben je ook.’
‘Dank je.’ Jess wreef over zijn hoofd.
‘Stel je niet zo aan!’ grinnikte ik. ‘Eigenlijk is het niet meer dan een ondiepe kuil waar je ingevallen bent.’


‘Nou en. Maar goed. Je hebt gelijk.’ Hij trok zijn fiets uit het gras.
‘Laten we snel doorfietsen,’ stelde ik voor. ‘De rest is al een eindje doorgereden.’
Jess sprong op zijn fiets en begon te racen.
‘Dat bedoelde ik nou ook weer niet!’ gilde ik hem achterna.
In mijn hart was ik blij dat hij in ieder geval niet zo stom deed.
‘Budholla!’
Jess stopte direct met fietsen. ‘Nu wil ik weten wat dat allemaal betekent! Jij zit gewoon geheimtaal te brabbelen en volgens mij heb je het gewoon zelf bedacht!’
‘Nee hoor!’ zei ik triomfantelijk. ‘Het betekent sukkel!’
Jess zuchtte. ‘Als ik dat wist…’


‘Dan?’
‘Tja… dan had ik het nooit gevraagd. Dan was ik tenminste niet te weten gekomen dat jij me een… een budhal-dingens vind.’
Ik schoot in de lach. ‘Het is budallah. Maar laten we even doorfietsen.’ Ik knikte met mijn hoofd naar de jongens en Linde.
‘Doen we.’
Met z’n tweeën reden we naar de rest van de club.
Nu reed ik weer helemaal vooraan, bij JeanLuc.
‘Aan de kant!!’
Jess zeker weer.
‘Vlieg je weer in de sloot?’ gilde ik naar achteren.
‘Nee!! Let maar op!’ Jess kwam voorbij stuiven en reed van het fietspad af.
Hij reed het gras in, recht op een maïsveld af.
‘Wat ga je doen?’ vroeg ik verbaasd.
‘Let maar op!’ riep hij weer.


Toen ik zag wat er toen gebeurde, kwam ik niet meer bij van de lach. Jess reed recht het maïsveld in! Hij verdween op zijn fiets tussen de rijen met maïsplanten.
Het zag er koddig uit.
Natuurlijk konden de rest van de jongens zich niet inhouden. Achter elkaar reden ze het maïsveld in.
Zodra ze de eerste twee planten achter zich hadden gelaten, zag je ze niet meer. De planten waren dan ook al hoger dan twee meter.
Uiteindelijk verdween ook Linde het maïsveld. Ik had er best achteraan willen fietsen; maar omdat Linde ook ging, ging ik niet.
Zo bleef ik achter met JeanLuc en Evan.
‘Kom op!’ riepen ze naar de groep. ‘Wij willen naar huis! Doe nou niet zo irritant!’
Ik begon me nu toch een beetje zorgen te maken. We zagen helemaal niemand meer!
We hoorden gelach en geschreeuw, maar dat klonk nog best ver weg. Ik wist dat je heel snel kon verdwalen in een maïsveld. Ik had dat al vaak genoeg meegemaakt, want vroeger deed ik altijd met mijn vriendjes verstoppertje in het maïs.
Ik was een keer verdwaald en Ricardo had er aan te pas moeten komen. Uiteindelijk had hij me gevonden. Daarna wilde ik nooit meer alleen een maïsveld in.


Trouwens, ze konden niet eens verdwalen. Je kon heel duidelijk het spoor zien dat ze hadden achtergelaten in het maïs.
Als ze dat terugvolgden waren ze er weer. Alleen moest je dan je fiets omkeren en dat was lastig in zo’n veld.
Ik hoorde luid gekraak. Daar was de eerste.
Jess kwam het maïsveld uitzetten met een brede grijns op zijn gezicht.
Op de plek waar hij het veld uit kwam, waren de maïsplanten bijna allemaal geknakt.
‘Vandaal!’ riep ik lachend.
Hij grinnikte en kwam naar me toe. Algauw was ook de rest van de club er weer. Mark kwam als laatste naar ons toe strompelen. Hij had fietstassen en was daardoor moeilijker door het veld gekomen.
Johnny had een paar fikse schrammen op zijn gezicht.
‘Je kan die maïsplanten vergelijken met van dat dunne papier,’ vertelde hij. ‘Heel scherp. Van papier kan je ook hele diepe sneeën krijgen. En vooral als je er zo door crost.’


‘Laten we weer verder gaan,’ vond Evan.
De groep stemde er mee in, behalve Jess.
‘Wacht even!’ zei hij. ‘Ik weet iets!’
Hij liep weer naar het maïsveld. Nieuwsgierig keken we hem na. Wat zou hij gaan doen?
Hij liep naar de eerste maïsplanten en brak de stengel van eentje door. Met een paar rukken had hij de hele maïsplant er uit. Hij legde het ding van anderhalve meter op zijn schouder en kwam weer naar ons toe. Bij ons aangekomen, maakte hij de plant vast op zijn bagagedrager. Hoofdschuddend keek ik toe hoe de plant aan de achterkant nog meer dan een meter uitstak. Wat was Jess van plan?
Blijkbaar zaten er nog meer met die vraag, want Jess werd bestookt met vragen.
‘Wat ga je doen?’
Jess lachte en knipoogde naar mij. ‘Ik ga de… de budallah uithangen.’
Ik schoot in de lach. Het klonk werkelijk amusant.
De rest begreep er natuurlijk niets van. ‘Je gaat de wát uithangen?’
‘Budallah. Dat was het toch?’ Jess keek me vragend aan. Ik knikte. ‘Ja, je hebt het goed.’
‘Wat is een budallah?’ vroeg Linde.
‘Iets,’ zei Jess. ‘Kom je zo wel achter.’
‘Oké dan…?!’


We reden weer door. Even later werd het zwoegen, want we moesten op de brug over de snelweg heen. Daarvoor moesten we een heel eind klimmen.
Moeizaam trapten we de heuvel op en er was ook nog eens tegenwind. Eindelijk stonden we boven op de brug. Het was hier rustig, want het was een eind uit DTC. Er kwam geen mens meer op deze brede brug. Onder ons zoefden de auto’s over de snelweg.
‘Wat krijg ik van jullie als ik over de reling klim?’ vroeg Stef.
‘Een pak slaag, natuurlijk! Ben je gek of zo?’ ik tikte tegen mijn hoofd.
Je gaat toch niet over een reling klimmen! Stel je voor dat je er af zou vallen… ik huiverde ervan.
‘Jongens!’ zei Jess. ‘Kijk watt ik ga doen. Ik ga de maïsplant hier op de brug planten.’
Hij stapte al van zijn fiets om de maïsplant op de brug te zetten.
‘Lukt je nooit,’ zei Jasper. ‘Nee joh, dat moet je niet hier doen. Op de fietsbrug is veel leuker. Als dan de brug open gaat, omdat er een boot door moet, valt hij in het water.’


‘Naar beneden gooien op de snelweg!’ stelde Stef voor.
‘Dat moet je niet doen!’ riep ik snel. ‘Straks krijgt iemand dat ding op z’n voorruit en dan heb je een dik probleem. Zo’n auto kan een vreselijk ongeluk krijgen en dan ben jij schuldig.’
Ronald knikte. ‘Niet doen. Veel te gevaarlijk.’
Jess schudde z’n hoofd. ‘Wilde ik ook niet doen. Maar dat idee van Jasper is wel goed. Zullen we hem op de brug over de IJssel planten?’
‘Doen we!’ zei Mark. ‘Dat is leuk.’
Ik liep naar de reling en leunde er op. Ik zwaaide naar de auto’s die onder de brug door gingen. Ik wilde naar huis. Ik had geen zin meer en ik was moe.
Als dit nog langer duurde, zou ik echt ruzie met mijn ouders krijgen. ‘Kom je?’ riep Ronald. ‘We gaan!’
Ik knikte en stond op. Ik sprong weer op mijn fiets en we reden de brug af. Nu ging het heel snel, want we gingen van de heuvel af.




Ik haalde mijn voeten van de trappers af en liet me naar beneden rijden. Toen ik helemaal uitgereden was en ik weer moest gaan fietsen, kwamen we bij een rotonde. Tot mijn schrik reden de jongens voor me niet gewoon op het fietspad, maar ze gingen op de autoweg rijden. Dat was nog het ergste niet; ze gingen tegen de stroom inrijden! Stelletje gekken!
Dat was nou echt vragen om ongelukken…
Tot mijn ergernis deed Linde hen weer na.
Gefrustreerd keek ik hen na. Waarom deden ze nou zo? Waren ze nu echt zo hyper?
Ik hoopte dat ze na de rotonde weer normaal zouden doen, maar niets was minder waar. Ze bleven gewoon midden op de weg rijden. Oké, er was amper verkeer, maar toch.


Ik had al vaker meegemaakt dat iemand de politie wilde bellen om onze club. Dat was altijd de schuld van de jongens. Maar ik had geen zin om dat nu te moeten meemaken. Ik was bij de jongens en de politie zou denken dat ik bij hen hoorde. En dat ik ook mee had gedaan met die stomme dingen.
In de verte doemden de lichtjes op van het ‘Pannenkoekenschip’. Het Pannenkoekenschip was een boot die helemaal versierd op de IJssel lag. We hadden er wel eens pannenkoeken gegeten. Plotseling schoot er een gedachte door mijn hoofd. Daar was de fietsbrug! Hier wilde Jess zijn maïsplant neer zetten!
Ik zuchtte. Weer oponthoud.
Al snel waren we bij de fietsbrug en Jess was zijn plannetje niet vergeten. Ik zag hoe de mensen die langskwamen al verbaasd naar Jess’ plant hadden zitten kijken.
Het kon hem kennelijk niks schelen. Mij wel.
Ik wilde naar huis. Nu.
Ik reed zo gauw mogelijk over de brug, met JeanLuc en Evan. Zij wilden ook naar huis. Evan zei steeds dat hij wilde pitten. En dat wilde ik het liefste ook. Slapen.
Ik keek om en zag dat Jess met de plant aan het prutsen was
‘Hij wil niet blijven staan!’ riep hij naar de groep.
Jammer dan, dacht ik. Maar ik ga.


‘Zullen we verder fietsen?’ vroeg ik Evan en JeanLuc.
Ze knikten. ‘Ik duik direct in m’n bed als ik thuiskom,’ zei JeanLuc. ‘We gaan gewoon.’
Gelukkig. Ik vervolgde mijn weg met de twee jongens. Algauw hadden we de groep ver achter ons gelaten. Aan het feit dat ik met Wybren mee naar huis moest, dacht ik niet. Ik moest namelijk door het bos fietsen en mijn ouders vonden het niet goed als ik alleen ging. Nou, jammer dan. Ik had echt geen zin om nu met die door Linde betoverde Wybren mee te gaan.
Evan sloeg af. ‘Doei! Tot morgen!’ riep hij.
Ik groette, diep in gedachten. Nu was ik alleen met JeanLuc. Het was nog een best eindje naar huis. Toen we JeanLuc’s straat in reden, zei hij tot mijn verbazing: ‘Ik breng je even thuis. Oké?’
Pf. Gelukkig. ‘Graag! Je bent een schat,’ zei ik.


‘Dank je,’ lachte hij. Het was niet zo ver van hem naar mij. Eén straat extra door.
Hij bracht me thuis en we bleven nog even op de oprit staan. We praatten over Linde en de rest van de jongens. Over Kim, die JeanLuc heel irritant vond – en ik ook. Over school, over van alles.
Op een gegeven moment zagen we Wybren aankomen, dus ging JeanLuc weer weg.
‘Ik heb geen zin dat Wybren vreemde dingen gaat denken,’ zei hij. ‘Daar is hij gek genoeg voor.’
Ik grinnikte en groette JeanLuc. Daarna liep ik het huis in. Het was donker. Mijn ouders sliepen vast al. Ik deed zo zacht mogelijk, ik had geen zin in een preek.
Binnen de kortste keren lag ik in mijn bed.
Diep onder de dekens sloot ik mijn ogen en droomde over Dominic.





Volgend hoofdstuk:
Hoofdstuk 5:
Linde

Overzicht verhalen
Informatie & voorwaarden
Home
Aanwezige users:


Niet ingelogd



Anno 2012
Pages created by nanny