** Twee wegen en een driesprong - Reader**



Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 0: Vanaf het begin
Hoofdstuk 1: DEEL 1 -Dominic en ik-
Hoofdstuk 1: Ups and downs
Hoofdstuk 2: My heart will go on and on...
Hoofdstuk 3: De opening van mijn ogen
Hoofdstuk 4: Gestoorde jongens
Hoofdstuk 5: Linde
Hoofdstuk 6: Mijn dagboek
Hoofdstuk 7: De extase van een wedstrijd
Hoofdstuk 8: Een avontuurlijke avond
Hoofdstuk 9: I'm losing control
Hoofdstuk 10: Gebroken
Hoofdstuk 11: Gala en Linde
Hoofdstuk 12: War in my life
Hoofdstuk 13: Overwinning
Hoofdstuk 14: Stan
Hoofdstuk 15: Overweldiging
Hoofdstuk 16: Een pijnlijke bekentenis
Hoofdstuk 17: Starende ogen zijn verliefd
Hoofdstuk 18: Eén na laatst
Hoofdstuk 19: Bericht aan Dominic


Hoofdstuk 12: War in my life


Mijn droom met Linde was algauw weer voorbij. Ik was zó blij geweest dat het weer goed was tussen ons tweeën. Maar nee hoor.
Ik merkte al snel dat het heel anders was tussen ons tweeën. En ik vond het niet zo positief.
Ik had al mijn gedachten over haar – dat ze een slet was en zo – gauw weer weggeduwd. Had niet gedacht aan wat er gebeurd was. Die ene avond bij Floris. Die avond dat ik erachter was gekomen dat ze een slet was.
Ik had toen stellig geloofd dat ik nooit meer in zoiets zou intrappen. Nooit meer. Maar het was haar weer gelukt.
Weer geloofde ik haar, met haar mooie verhaaltjes over Johnny.
Maar nu zou het voorbij zijn, voorgoed.
Ze begreep me niet, ik wist het. Ze begreep niet waarom ik haar nu weer ontweek. Geen wonder, alles was goed gekomen tussen ons. Nou ja, alles…
In ieder geval, zij dacht dat. En nu begon ik haar weer te ontwijken. Tja.
Waarom?


Chantal. Ik kon er niet meer tegen. Voor mij was het geen probleem als ze weer alles goed wilde maken. Prima zelfs. Maar ze deed dat verkeerd. En ik had geen zin om haar daarop te wijzen. Ze zou het niet begrijpen.
Ik kon daar echt niet tegen. Als ze een probleem had of iets wat ze wilde vertellen dat geheim was, zei ze het tegen mij. Geen probleem. Deed ik ook bij haar.
Maar, wat nu juist zo bij mij stak; voor de rest was het Chantal.
De heenweg in de bus wilde ze naast mij zitten, omdat Chantal dan altijd naast Esmee zat. Op school, de eerste vijf minuten, ging nog. Maar daarna was het alleen Chantal. In de pauze? Chantal. Ik kwam er niet tussen.
’s Middags in de bus? Chantal. En ik kwam er weer niet bij. En had Linde een probleem? Dan was ik het, want ze was bang dat Chantal geen geheimen kon bewaren. Tja.
Ik vind het van mezelf niet raar dat ik haar nu gaat ontwijken. Zij doet raar. Niet ik. Of helemaal ik, of helemaal Chantal. Niet allebei half. Dat nooit.


Oké, dat was misschien wat hoog gegrepen; helemaal ik of helemaal Chantal. Dat kon je beter zeggen met iemand waar je verkering had, niet gewoon met een vriendin. Maar toch. Ik kon daar niet zo goed tegen.
Ik wilde niet alleen de problemen van Linde, ik wilde haarzelf.
Was dat nou echt zo veel gevraagd?



Nog diep in gedachten zette ik mijn fiets in de schuur neer. Ik haatte Linde. Weer.
Waarom deed ze zo stom? Lag het aan mij?
Wie had ik nu nog? Voor de zoveelste keer stelde ik mezelf die vraag. Wie heb ik nog in mijn leven?
Ik hoorde iemand roepen en draaide me om. Het kwam bij het huis van Guido en Nynke vandaan. Elvira. Ze stond op het raam te bonzen en zwaaide naar mij.
Ze gingen weg.
Ze hadden het verteld. Gisteravond.
Over twee maanden zouden ze vertrekken. Ik wilde het niet! Nooit!
Ze mochten niet weg gaan! Niet Guido en Nynke!


Kevin, oké. Leonard, oké. Die was tóch altijd weg. Ricardo, nee dat wilde ik niet. Maar Guido en Nynke. Niet Gilan, Elvira en Sam. Niet zij.
Ik hield van hen… begrepen ze dat niet?
Ik zwaaide naar Elvira en liep over het paadje naar de achterdeur. Toen ik de deur open wilde doen, spitste ik mijn oren. Wat was dat?
Ruziënde stemmen. Mama versus Kevin.
Ik kreunde. Niet weer.
Ik sloop de gang binnen. De laatste tijd kwam Kevin opeens veel thuis, ik wist niet waarom. En altijd maakte hij ruzie met mama.
Een maand was hij niet geweest en nu twee keer in de week.
En elke keer waren we boos uit elkaar gegaan. Mama en Kevin, maar ook ik en Kevin. Al dagen hing er een bedrukte sfeer in huis.


Oh, papa, kom gauw thuis! Ik kan er niet meer tegen! Kevin manipuleert ons.
Papa, ik haat hem! Jij kon hem tegenhouden. Niet wij. En Ricardo is er ook niet. En niemand doet iets, en Guido en Nynke gaan weg… en iedereen gaat weg uit mijn leven… papa, kom terug!

Mijn vader was nu al meer dan drie weken weg. En het zou nog twee weken duren voor hij terug kwam. Minstens, want waarschijnlijk zou zijn conferentie in China uitlopen.
Ik trok mijn jas uit en hing die op. Anders smeet ik mijn tas altijd ergens neer, maar ik wilde nu geen geluid maken. Ik wilde niet dat ze zouden merken dat ik thuis was.
Stel je voor, dat Kevin…
Als een schaduw sloop ik door de gang naar mijn kamer. Deur open, naar binnen, zachtjes de deur weer dicht duwen. Deken pakken, in zitzak ploffen…
Muziek aan, keihard. En dromen dat je niet thuis bent. Verstoppen in een klein hoekje. Hopen dat ze je niet vinden.
Dat was het enige wat ik de komende tijd wilde gaan doen – en wat ik de afgelopen dagen had gedaan.


Ik vroeg me vaak af hoe het bij andere leeftijdsgenoten eraan toeging. Ook zo als bij ons?
Kropen die ook in een hoekje – bang voor hun moeder en broer?
Een harde knal. Glasgerinkel.
Ik duwde mijn vingers in mijn oren. Ik wilde niet horen!
Waarom was ik nu zo bang? Papa had vroeger altijd gezegd: “Als Kevin weer boos is, weet dan dat het je broer is. Oké? Hij zal jou nooit iets doen. Weet je dat? Onthoud dat goed. Wees niet bang – hij zal je niets doen. Hij wil juist dat je bang bent, dat vindt hij fijn. Ja?”
Ja papa. Maar nu ben jij er niet. Stel je voor dat hij me wat aandoet?
“Hij is je broer. Hij is en blijft altijd je broer.”
Dat zal best, papa. Maar daarom heb ik nog wel zin om hem te vermoorden. Of hij nu mijn broer is of niet.


Weer een harde bons. Mijn moeder schreeuwde. ‘Kevin, wegwezen!’
‘Jij hebt mijn jeugd verpest!’ schreeuwde hij terug. ‘Ik krijg jou wel! Denk je dat het leuk is om mijn leven te leiden? Het is allemaal jou schuld!’
Wat was mama’s schuld? Ach, ik wist het wel. Ze had zijn jeugd verpest. De mijne toch ook?
Dit keer was ik het eens met Kevin.
‘Ik haat jullie allemaal!’
‘Waarom kom je dan hier?’
‘Omdat ik wil dat jullie weten dat ik jullie haat!’
‘Nu weten we het! Ga je nu weg?’ huilde mama nou? Lekker puh. Goed zo, Kevin.
Ik kon me niet meer inhouden en ging staan. Ik spande mijn spieren en sloot mijn ogen. Nu zou het gebeuren.
‘Mama!! Kevin is niet de enige! Jij verpest ook mijn jeugd! Ik haat je – net als Kevin!!’
Ik schreeuwde me de longen uit mijn lijf. Toen ik uitgeschreeuwd was voelde ik me opgelucht – vreemd. Alsof er een zware last van me was afgevallen. Eindelijk had ik gezegd waar ik al zo lang mee rondliep.


Plotseling werd ik heel bang. Het was stil. Zo onheilspellend stil. Ik dook in elkaar. Had ik me nou maar nooit laten gaan. Wat zou er gaan gebeuren?
Dat werd me algauw duidelijk. Mijn kamerdeur werd opengesmeten.
Mama en Kevin.
Ik drukte me in de hoek van de kamer. ‘Jij…! Jij!’
Mijn moeder hijgde. Ik draaide mijn hoofd van hen af. Ik wilde niet zien wat er komen ging. Ik wilde niet weten wat er komen ging.
Ik trilde over al mijn ledematen. Had ik mijn mond maar gehouden. Oh, als Kevin er maar niet was geweest! Dan had ik mijn moeder een grote bek teruggegeven, maar nu durfde ik niet.
Wie weet was Kevin zou doen? Een kat in het nauw doet rare sprongen.
Hele rare, in Kevins geval. Gevaarlijke.
Ik trok mijn schouders op, in de hoop mijn hoofd weg te krijgen van hen. Wat was die muur koud…
Het volgende moment hoorde ik een zacht suizen – wat was dat?
Iets daalde neer op mijn hoofd en de witte muur begon te draaien voor mijn ogen.



Misselijk deed ik mijn ogen open. Ik voelde me beroerd.
Hete tranen stroomden over mijn wangen. Oh, lieve Dominic. Waar ben je?
Het klonk als een noodkreet uit mijn hart – maar ik kreeg geen antwoord. Ik riep harder, maar er kwam geen geluid uit mijn keel. “Dominic! Ku je ti tani? Unë të dua.. ku je ti? Unë ty të nevoj!”
Dominic. Waar ben je nu? Ik hou van je… waar ben je? Ik heb je nodig!
Ik wenste dat hij bij me was. Al was het maar voor een minuut.
Of zou ik hem alleen zien. Zijn gezicht, als ik zijn gezicht nu meer zag. Ik kon er niet meer tegen!
Wie had me geslagen? Mama, of Kevin?
Ik dook weer in elkaar. Ergens diep in mij voelde ik onraad. Ik bespeurde een naar gevoel – een gevoel van angst.






Plotseling schokte ik weer, van verdriet. Waarom deed mama dit? En waarom deed Kevin dit?
Iets in me zei dat het nog niet voorbij was. Dat ik weg moest gaan. En gauw ook.
Ik wilde overeind komen – en kreeg een gevoel alsof ik moest overgeven.
Wat moest ik doen? Waar moest ik ooit heen?
“Papa, kom nou!”
‘Guido…’ fluisterde de stem in mij. ‘Nynke. Elvira.’
Moest ik daarheen? Naar Guido?
‘Sta op…’
Langzaam kwam ik overeind. Hoorde ik daar wat? Hoorde ik iemand door de gang lopen, op weg naar mijn kamer?
Ik voelde me als plumpudding. Ik hing hier als een zak zand op mij zitzak. Waar moest ik heen?
‘Guido en Nynke.’
O ja. Guido en Nynke. Ik ging staan en mijn hoofd bonsde van de pijn. Ik zette een stap vooruit en greep me vast aan de muur. Ik was vreselijk duizelig. Wat moest ik doen?
Mijn haat voor mijn moeder en broer groeide met de minuut en met elke pijnsteek. Ik wilde dit niet. Ik moest weg. Gauw.


Als in slow motion bereikte ik de deur, trok mijn schoenen aan. Door de druipende regen liep ik naar Guido’s huis. Voortdurend keek ik achterom en bij elk geluidje kromp in elkaar. Was dat Kevin, of mama?
Eindelijk bereikte ik Guido’s huis. Daar werd ik luidruchtig begroet door de grote herdershond. ‘Ga weg, Tsaro.’
Tsaro sprong tegen me op. ‘Tsaro! Platze!’
Tsaro kwam uit Duitsland, Guido had hem van een Duitser gekregen. Als Tsaro niet wilde luisteren, spraken we Duits. Meestal gehoorzaamde hij dan wel.
In de deuropening rook ik de geur van soep. Tomatensoep.
Soep? Etenstijd?
Hoelang had ik dan wel niet voor Jan Pampus op mijn zitzak gelegen? Ik had gedacht dat het maar een paar minuten waren. Niet dus. Etenstijd. Zes uur ongeveer. En het was half vijf geweest toen ik thuis kwam. Oei.
Ik deed de deur naar de kamer open. Nynke was aan het eten koken en Elvira hing er jengelend omheen. Sam zat in de kinderstoel met zijn lepel op het tafelblad te slaan. Op de tafel en er om heen stonden dozen, sommige halfvol. Was Nynke al aan het inpakken geweest? Nu al?
‘Nynke…’


Ze keek haastig achterom. ‘Sorry, heb nu geen tijd. Ik ben echt heel druk. Het spijt me.’
‘Oké,’ mompelde ik en verdween weer. Buiten zakte ik neer achter een bosje, waar Nynke me niet zou kunnen zien. Waarom zat die stem steeds te zeggen: Ga naar Nynke en Guido toe? Ze hadden geen tijd. Er was geen plek voor mij. Nynke had het druk genoeg en Guido was waarschijnlijk gewoon nog naar zijn werk, of zo.
Waar moest ik heen?
Wie heb ik nog?
Ik kreunde en wreef over mijn voorhoofd. Niet weer die vraag. Niet weer.
Weer stroomden de tranen over mijn wangen. Mijn hart schreeuwde naar iemand.
Nynke, waarom zie je niet dat ik iemand nodig heb?
Linde, waarom doe je zo gemeen? Zie je niet dat ik een vriendin nodig heb? Zie je niet dat jij niet de enige bent met problemen?
Dominic, waarom ken je me niet?
Mama, waarom haat je me?

Ze hadden me geslagen. Mama, of Kevin. Wie, dat maakte niet eens uit. Maar ik had nog nooit zo’n extreme uitbarsting meegemaakt – behalve van mezelf dan.
Waarom kende ik mezelf zo goed?
De laatste tijd had ik me er zelfs aan geïrriteerd: ik kende mezelf te goed. Als ik weer driftig was, dacht ik direct: oh, daar heb je het weer. Dan ben jij nou echt, je kan jezelf niet inhouden. Je bent makkelijk doorgrondbaar, je reageert precies zoals de boekjes over jou karakter zeggen.
En dan wilde ik me niet laten kennen, en ik deed alsof het me niets kon schelen. Maar binnenin had het pijn gedaan. Te veel pijn.
En nu zat ik hier. De regen doordrong mijn schoenen en ik voelde langzaam maar zeker mijn voeten nat worden. Ik stond op.
Waarheen?
Plotseling wist ik het. Ik zou naar Linde gaan – misschien dat ze me zou begrijpen.
Misschien. Och, al was het maar voor eventjes. Als ze me maar vijf minuten troost gaf, dan was het goed. Meer had ik nu niet nodig.


Ik pakte mijn fiets en reed de oprijlaan af. Het werd al schemerig.
En het was koud. Ik rilde onder mijn jas en trapte flink door.
Gelukkig was het niet zo ver naar Lindes huis.
Ik reed het woonblok in, tussen de steegjes door naar hun rijtjeshuis.
Ik hield stil voor hun huis, mijn band gleed een beetje weg op de natte stoep. Zo, fiets op slot. Ik wilde het paadje opgaan, maar aan het begin stond ik stil. Waar was ik aan begonnen?
Ik leunde tegen de boom en staarde naar het raam. Het licht was aan binnen en Linde zat met haar familie aan tafel. Ze lachte met haar zusjes.
Waarom had ik nu niet zo’n leuke familie?
Het zag er gezellig uit, binnen. Vroeger was dat bij ons ook geweest. Nu papa weg was – en Kevin volwassen – niet meer.
Waar was ik aan begonnen? Ik wilde hen niet storen. Ik wilde niet naar binnen gaan. Niet nú.
Ik zou me kapot schamen. Wat zou Linde zeggen?
Ik wilde niet inbreken op hun vrolijkheid.
Ik zakte neer tegen de boom en sloot mijn ogen.



Er klonk een schreeuw – iemand schudde aan mijn schouder. Wie was dat?
Ik schudde de hand van mijn schouder. Ik wilde niets meer. Helemaal niets. Het kon me allemaal niets meer schelen. Laat me hier maar liggen, niemand zal het erg vinden.
‘Mir…’
‘Nee. Ga weg,’ mompelde ik. Ik verstopte mijn hoofd in mijn handen. Ga nou weg.
‘Hé… wat is er aan de hand?’ Linde zakte naast me op de grond. ‘Wat is er gebeurd?’
Ik wilde wat zeggen, maar er kwam geen geluid uit mijn keel. Ik schudde enkel mijn hoofd. Linde sloeg een arm om mijn schouders en trok me tegen haar aan. Ik wilde niet – bleef stokstijf zitten.
Linde merkte het en wreef over mijn rug. ‘Je bent hartstikke koud.’
‘Zal best.’
‘Sorry, dat was een stomme opmerking.’ Linde haalde mijn haar voor mijn ogen vandaan.


Ik bevroor door die kleine aanraking. Mijn moeder deed dat ook altijd. “Verstop je nou niet,” zei ze dan. Maar ik deed het juist expres. Ik wilde niet dat ze mijn ogen zouden zien. Mijn ogen verraadden mij. Dat wist ik heel goed.
Linde veegde mijn haar weg en keek in mijn ogen. ‘Er is iets goed mis,’ concludeerde ze. Ik haalde mijn schouders op. Waarschijnlijk merkte ze dat ik niet wilde praten. Ze trok me nog dichter tegen haar aan en wiegde een beetje heen en weer.
Langzaam voelde ik mijn weerstand afbrokkelen. Hoe deed Linde dit? Hoe kon ze zo snel die muur om mij heen afbreken?
Zonder dat ik het door had begon ik te praten. ‘Ze hebben me geslagen.’
Ik voelde Linde verstrakken. ‘Wie?’
‘Weet ik niet.’
Linde keek me recht in mijn ogen. Ik zag dat ze me niet begreep.
‘Weet je dat niet?’
‘Nee. Wat maakt het ook uit – mama of Kevin.’
‘Je moeder?’
‘Ja.’


‘Waarom?’
Ja, waarom eigenlijk? ‘Ik haat ze.’
‘Je moeder of Kevin?’
‘Allebei.’
Het bleef lang stil. Ik voelde mezelf langzaam opwarmen. ‘Je moet naar binnen gaan. Straks wordt je nog ziek, zonder jas,’ zei ik.
‘Ik? Jij moet naar binnen! Je zult bevriezen!’
‘Bij mij maakt dat niet uit… bij jou zullen er heel veel mensen zijn die je zullen missen. Je familie, Johnny… bij mij niet.’
‘Nou lieg je.’
‘Nee. Denk je nou echt dat mama mij zal missen? Nooit van mijn leven.’ Mijn stem klonk ijskoud en ik voelde Linde aarzelen. ‘Zie je wel, ik heb gelijk.’
Linde ging er niet op in. ‘Ik zal je missen.’
‘Dan ben je goed gek.’
‘Nee. Ik zal je vreselijk missen. Snap dat nou eindelijk.’
‘Dan ben je ook de enige.’


‘Dat is genoeg. Hoeveel zou je er willen dan?’
‘Sowieso nog eentje erbij.’
Linde hield even stil. Ze begreep mijn woorden. ‘Dominic.’
‘Ja, Dominic.’
Linde hield haar mond. Ze wist dat het niets zou helpen als ze iets ging zeggen van ‘het komt wel goed’, want het zou niet goed komen. Dominic kende mij niet; en zou mij ook nooit leren kennen. Het zou regelrecht liegen zijn als ze zou zeggen dat het goed zou komen.
‘Hou je net zo veel van hem als ik van Johnny houd?’
‘Nog veel meer,’ zei ik met een afgewend gezicht. Het was waar, ik hield met heel mijn hart van Dominic. Ik stelde me voor hoe het zou zijn om hem nooit meer te zien. Onvoorstelbaar, was het. Ik kon hem gewoonweg niet uit mijn hoofd bannen.
Ik wist dat Linde zich altijd afvroeg waarom ik op oudere jongens viel – nu wist ik het. ‘Omdat ik me dan veilig voel…’ mompelde ik binnensmonds.
‘Wat?’
‘Niets.’


‘Wel.’ Linde gaf niet op, het was een teken dat ze me kende. ‘Wat zei je?’
‘Ik weet eindelijk waarom ik alleen oudere jongens leuk vind.’
‘Huh… o, wacht, ik denk dat ik het begrijp. Ga verder.’
‘Dan voel ik me tenminste veilig. Net als dat ik me veilig voel bij Ricardo, Leonard en Guido. Zo’n soort vriend heb ik ook nodig. Gewoon, die me beschermt. Ik weet het, het klinkt raar en het is raar.’
‘Helemaal niet. Ik begrijp dat best. Ik heb dan geen broers, maar ik denk dat ik het snap. Je broers, vooral Leonard, hebben je beschermt toen je klein was. Jij was hun kleine zusje. Bij hen kon je klein zijn. Jij bent opgegroeid met zo’n veilig gevoel van ‘mijn broers beschermen me’. En nu kan je daar niet meer zonder.’
Verbaasd keek ik Linde aan. ‘Ja. Zo is het.’
Maar Linde was nog niet uitgepraat. ‘Bij hen kon je jezelf zijn… toch?’
‘Ja…’
‘Daar kon je soms gewoon klein zijn, wat voor de rest niet kan in deze wereld.’
‘Ja…’
‘Daarom wil jij net zo’n iemand als vriend. Die geeft jou een veilig gevoel.’
‘Ja!’


Deed Linde echt maar TL? Ze klonk als een professionele filosoof.
Linde omhelsde me. Het gaf me – net als mijn broers – een veilig gevoel. Ik voelde me veilig bij haar. Eindelijk.
‘Ik hoop dat Dominic op jou lijkt.’
‘Hè?!’
‘Gewoon, net zo wijs.’
‘Nou ja… jij doet vwo! Je bent de slimmerik hier!’
‘Ja, en? Slim is iets anders dan wijs.’
Linde lachte. ‘Sorry. Ik doe TL. Ik snap dit niet.’
‘Laat maar.’
‘Zie je wel dat jij slimmer bent.’
‘Maar niet wijs.’
‘Krijgen we nou zo’n discussie van welles en nietes?’


‘Ik zal hier maar niet op antwoorden,’ zei ik. Ik voelde me wat minder triest. Ze had me echt geholpen, ze gaf me een gevoel van geborgenheid. Als Chantal er nu maar niet was…
Een deur ging open. ‘Linde! Waar ben je?’
‘Hier!’ riep Linde terug.
‘Wat doe je daar?’ haar moeder.
‘Mam, kom es.’
Met een klap was ik in de werkelijkheid. Nee, dit mocht niet gebeuren! Haar moeder kwam de deur al uitlopen. ‘Wie is daar bij je, Lin?’
Wegwezen!
Ik schoot overeind en vloog weg. ‘Mam, hier is…’ Linde voelde naast zich, maar ik was al weg. Verbaasd staarde ze naar de richting waar ik verdwenen was.




Dance, dance, like it is the last, last night of your life.
Het liedje in mijn hoofd zei het ook. The last night of your life.
Het was zo. Vannacht zou de laatste nacht in mijn leven zijn. Ik wilde niet meer leven. Ik haatte de wereld. Alleen het eerste deel van de zin klopte niet. Dance.
Nee. Ik wilde niet dansen. Ik kon de laatste nacht niet vrolijk zijn.
Het eerste deel klopte niet… of toch wel?
Niet meer aandenken. Waar ging ik nu eigenlijk heen in? Wat was ik van plan?
Ik keek op mijn mobiel. Kwart over acht. Oké.
Het was ijskoud, buiten blijven was geen optie, zo goed kon ik nog wel nadenken. Maar wat dan? Naar huis?
Ik moest wel. Waar moest ik anders heen? Meer vrienden dan Linde had ik niet – tenminste, vrienden die me zouden begrijpen.
Wybren was nog de enige optie. Maar ja, hij was mijn neef, maar ook mijn buurjongen. En mijn oom zou direct naar ons huis gaan. Ik zou er trouwens ook niet kunnen slapen. Alleen al omdat Stef op zaterdag bij hen werkte. Hij zou versteld staan als hij zag dat ik bij Wybren zou logeren. Nee, dat kon echt niet.
Thuis.


Ga gewoon naar huis! Ze kunnen je niets maken, je bent nu boos! En als jij eenmaal boos bent, moeten ze uitkijken. Dat weet jezelf ook wel. Ga gewoon naar huis.
Ja. Dat was het. Als ze me ook maar zouden proberen een vinger naar me uit te steken, zou ik ze in elkaar slaan. Zou hard als ik kon, ik zou al mijn woede eruit gooien.
Ik fietste naar huis en zette voorzichtig mijn fiets onder de carport. Ik was niet van plan om gezien te worden, dus ik ging niet door de achterdeur. Nee, ik liep naar mijn slaapkamerraam. Als ik het goed onthouden had, was die nog open. Ik liep door het natte gras naar het grote raam. Het was echt koud.
Het raam stond op een kier, maar ik kon hem amper open krijgen doordat mijn vingers stijf waren van de kou.
Naast mijn raam stond een rozenstruik en per ongeluk haalde ik mijn vinger eraan open. Dat was een raar gevoel. Ik had helemaal geen gevoel in mijn vingers en voelde daarom amper pijn. Mijn vinger werd rood en toen ik er een beetje in kneep, welde er een rode bloeddruppel omhoog.


Ik staarde naar mijn vinger. Wit, lijkwit tegen rood. Ik veegde mijn vinger af op het witte raamkozijn. Een vuilrode streep bleef achter. De kleur was niet meer zo helder; donkerrood, bijna bruin. Als aandenken aan deze fantastische avond, dacht ik grimmig.
Door het hele gebeuren had ik weer een beetje gevoel gekregen in mijn vingers en ik opende het raam. In een wip was ik binnen en stond op mijn bureau, dat voor het raam stond. Voorzichtig klom ik over de wanordelijke stapels boeken en sprong op de grond. Het gaf een doffe dreun en ik bleef even stil staan wachten om te luisteren of iemand het gehoord had. Toen ik niets hoorde deed ik de lamp aan en ging voor mijn spiegel staan. Ik zag er beroerd uit, niets meer en niets minder. Mijn gezicht was heel wit en mijn rode lokken hingen een beetje naar beneden.
Wat maakte het ook uit. Met mijn vingers verwijdde ik mijn ogen een beetje. Twee donkere ogen staarden me aan.
Ik bestuurde die ogen. Alle kleuren, maar toch donker. Net als nu, ik had alle dingen in mijn leven en hoofd, maar ik wist niet wat ik er van moest maken. Het was alleen donker. Maar ik wist zeker dat alles op een dag goed zou komen.
“Als je vlucht, ja,” zei een stem in mijn hoofd. Vluchten?
De ogen staarden me troosteloos aan, twee donkere poelen zonder toekomst.
Waren dat echt mijn ogen?
Ja. Geen twijfel mogelijk.


Ik veegde met mijn hand over mijn oogleden. Mijn mascara was uitgelopen en zorgde voor zwarte strepen onder mijn ogen.
Gek idee dat mijn tranen precies over die sporen mascara hadden gelopen. Met mijn vinger volgde ik de sporen en het was alsof ik de tranen weer over mijn wangen voelde glijden.
Of was dat echt zo? Er gleed nu een echte traan over mijn wang. Driftig veegde ik hem weg. Wegwezen er mee. Sterk zijn. Bewijs jezelf. Dat was Leonard weer.
Moest dat echt? Ik kon dat helemaal niet!



In de dagen die volgden probeerde ik me anders op te stellen. Ik probeerde de vrede te bewaren aan tafel en in huis. Het ging me aardig goed af.
Kevin was drie dagen niet meer gekomen. Ik hoopte dat hij nooit meer zou komen, maar hij kon zo maar morgen voor de deur staan, als hij wilde. Begreep Kevin nou echt niet dat wij dat niet wilden?
Ach, hij zou het niet begrijpen. Hij was slim, maar begreep ons gewoon niet. Hij wist niet wanneer hij moest stoppen. Hij vond het heerlijk als mijn moeder of ik boos werd. Hij deed het expres. Daarom zorgde ik er voor zo min mogelijk aanleiding tot ruzie te veroorzaken. Ik ging praten. Heel veel praten.
Onder het eten vertelde ik dingen van school, maar niemand luisterde. Ik ging nog meer praten, in de hoop dat ze me zouden opmerken. Op het laatst vertelde ik dingen die nergens op sloegen, kleine gebeurtenissen van school.


Maar niemand luisterde. Iedereen at en praatte gewoon door me heen.
Waarom deden ze dat?
Ik wilde dat ze zouden weten dat ik ook nog bestond en dat ik niet een wolk was of zo. Hoewel het daar al aardig op begon te lijken.
Hele maaltijden praatte ik. Aan eten kwam ik amper toe.
Ik werd zelfs blij als Evi zei: ‘Hou je bek nu eens.’
Het gaf me het idee dat ze me in ieder geval opmerkte.
Was ik gek geworden? Ik dacht van wel. Als het nog even zo doorging, zou ik naar een inrichting moeten. Trouwens, dat kon ik nu al.
Een week ging voorbij, en nog had niemand gereageerd op een van mijn verhalen. Ik ging nóg meer vertellen. Maar nog reageerden ze niet.
En mijn eten werd koud.

Maandagavond kwam mijn moeder naar me toe. Ze had iets in haar hand; was het een schrift?
‘Hier,’ zei ze. Ze gaf me het schrift en ik pakte het aan. Fronsend staarde ik haar aan. ‘Wat moet ik hiermee?’
‘Schrijf hier maar al je verhalen in. Aan het eind van de week zal ik ze lezen.’
Wat?’


‘Versta je me niet?’ mijn moeder keek me ongeduldig aan. ‘Schrijf hier alles in. Dan hoef ik er tenminste niet naar te luisteren en houd de volgende keer je mond onder het eten!’
Gekwetst hield ik mijn mond dicht. Waarom deed ze dit?
‘Aan het eind van elke week zal ik ze lezen.’
‘Doe normaal.’
‘Oké, dan lees ik ze niet,’ zei ze. ‘Dat kan ook. Ik lees je verhalen alleen als je de rest van de week je goed gedraagt.’
Wat? Ik kwam er niet bij met mijn verstand. Vond ze dit een soort beloning?!
Ik smeet het schrift de gang in. ‘Zoek het maar uit!’
Volgens mij moest mijn moeder ook maar gauw een inrichting in. Kwaad liep ik weg.
’s Avonds lag het schrift op mijn kussen. Je moet naar me luisteren, stond er op geschreven. O ja? Ik haatte dit. Ik haatte haar.
Ze moest echt niet denken dat ik naar haar ging luisteren. Vroeger zou ik het wel hebben gedaan, uit respect voor mijn moeder. Maar nu zou ik niet meer naar haar luisteren.


Ze had me geslagen! En als het Kevin was geweest… zij had me niet geholpen toen ik in elkaar was gezakt. Daarom was ze medeplichtig, vond ik. Zij had er ook haar aandeel in.
En nu weigerde ik om naar haar te luisteren. Ik vond het mijn recht. Toch?
Ik haatte haar – zij haatte mij. Waarom zou ik dan naar haar luisteren?
Ik zakte neer op mijn bed en voor de zoveelste keer werd mijn kussen nat. Bijna elke dag was het nat, maar vandaag zou ik het doorweken met mijn tranen. Ik kon er niet meer tegen. Echt niet meer. Waar had ik dit aan verdiend?
En papa kwam maar niet terug.
Weer kwam het oude plan omhoog.
Ik maakte mijn besluit. Het plan zou uitgevoerd worden. En snel ook.


Ik speelde met mijn pen en staarde naar de lijst.

1: Spullen bij elkaar zoeken.
2: Ticket regelen.
3: Genoeg geld op mijn rekening zetten.
4: Afscheid nemen.
5: Mama laten weten dat ik niet met me laat spotten.


Puntje twee, ticket. Hoe ging ik dat doen – durfde ik dat wel?
Ach, ik wist, dat als het zo ver kwam, ik het zou doen. Ik zou nu nog niet gaan. Nee, ik zou wachten tot een zoveelste uitbarsting. Bij de eerstvolgende zou ik dit plan in werking stellen. Survival plan.
Ja, inderdaad. Het zou mijn leven redden. Of toch niet?
Ik aarzelde. Moest ik dit wel doen? Ik schudde vastberaden mijn hoofd. Het survival plan lag klaar. Als het dan toch zo ver moest komen…
Nou, dan moest het maar. Maar ik had dan in ieder geval mijn zaakjes voor elkaar.
Mocht het zo ver komen.
Diep in mijn hart hoopte ik van niet. Niet aandenken. Die ticket, hoe zou ik die regelen?


En waarheen eigenlijk? Weg, ja; maar waarheen?
Ik zette de mogelijke landen op een rijtje. Albanië, natuurlijk. Maar daar zouden mijn ouders het eerste gaan zoeken. Hoewel… ze gingen toch niet zoeken. Toch was Albanië niet zo’n goede optie. Al die bekenden daar zouden vragen stellen, misschien dat ze informatie naar Nederland zouden sturen. En daar zat ik niet op te wachten. Ik wilde een nieuw leven beginnen, het liefst zonder bekenden in de buurt die mijn verleden kenden. Gewoon; helemaal opnieuw beginnen.
Survival plan.
Welke landen waren er nog meer? Ik kon naar de VS gaan, daar woonde een goede vriend van mij. Maar kon ik dat wel maken? Bovendien, een ticket naar de VS was echt heel duur. Plotseling besefte ik dat het wel heel moeilijk zou worden voor me. Stel je voor dat ik naar India zou gaan – de derde optie – dan zat ik nog steeds met een probleem.

Ik was minderjarig, enzovoorts, enzovoorts. Hoe zou ik daar ooit moeten overleven?
Ik wist, dat als ik mijn vader om geld vroeg, hij het wel zou geven. Ik wist dat hij ook het liefste wilde dat ik weg was bij mama. Hij zou er alles aandoen om me te helpen. Om een beter leven op te bouwen. Toch?
Maar hou zou ik daar ooit aan werk moeten komen? En school dan?
Ik kon echt niet aan het werk zonder een middelbare school diploma. Tja. Nou, dat was van latere zorg.
Mijn ogen gleden over de lijst met dingen die ik moest doen, als het zo ver was.
Spullen, dat was niet zo moeilijk. Ticket, daar ging ik nu niet over nadenken. Geld, dat was ook van latere zorg. Ik had een bijbaantje en dat verdiende best goed. Ik had een aardig kapitaaltje op de bank staan – voor mijn leeftijd.
Afscheid. Dat zouden alleen de mensen zijn die het dichtst bij me stonden. Dat zou Linde worden, Hadassa. Jasper?
Dat was het wel. De rest zou er vanzelf achterkomen dat ik weg was.
Oké, dan had je nog mama. Och, dat was niet zo moeilijk. Waarschijnlijk zou ik in de beslissende ruzie toch al schreeuwen dat ik haar haatte, of zo. Ik zag wel.
Plotseling schoot het idee als een bliksemschicht in mijn hoofd.
Ik greep mijn pen en krabbelde iets onder de lijst.


6: VERTELLEN AAN DOMINIC DAT IK VAN HEM HOUD!!

Tevreden las ik de lijst nog een keer door. Mijn gedachten stonden stil bij het laatste puntje. Zou ik dat durven?
Ja! Ik hakte de knoop door. Als het zo ver was zou ik het hem vertellen. Voor dat ik weg zou gaan, zou hij weten dat ik bestond. Meer hoefde niet.
Ik vouwde de lijst twee keer dubbel en deed hem in de kaft van mijn dagboek.
Ik trok een la open en haalde er nog een papier uit, helemaal blanco.
Dit was lastiger.
Ik trommelde met de pen op mijn bureaublad. Oké, hoe ging ik dit aanpakken?
Ik dacht even na – en begon toen te schrijven.



SURVIVAL PLAN
Als mama en ik weer ruzie krijgen, zal dat de laatste keer zijn. Denk goed na – vergeet niets. Blijf rustig en beheerst, denk aan je vlucht. NIET AAN DOMINIC DENKEN. VOORAL NIET AAN DOMINIC DENKEN. Als ze probeert je te slaan, laat alle klappen maar aankomen. Laat haat vooral niet denken dat je bang bent!
Laat haar maar lekker slaan, of schreeuwen. Blijf rustig, zeg niets. Als ze eindelijk stopt, zeg dan de waarheid. Zeg dat je vertrekt. Draai je daarna om en ga weg. NIET MEER ACHTEROM KIJKEN NAAR HAAR. Pak stiekem je tas in, ze mag nog niets merken.
Goed blijven nadenken, anders maak je fouten. Later zal ze boeten, en dat zal ze merken ook. Wees niet bang!! Ga rustig naar school. Zoek Dominic op en vertel het hem. Rustig en duidelijk. Vertel hem dat je verliefd op hem bent, zeg dat er niets meer aan te doen is, dat je weggaat. Zeg hem dat het vooral niet zijn schuld is. Hij heeft niets gedaan! Ga dan weg – hij weet wat hij weten moet.



Ga naar huis, haal je spullen en vertrek. Trein naar Schiphol en vertrek. Je kan het.
BEWIJS JEZELF.

Niet in storten. Ja? Je mag niet instorten. Nooit niet. Hiervoor deed je dat – maar nu is er een keerpunt in je leven. Wees sterk. Wees hard voor jezelf. Anders haal je het niet. Geen medelijden. Weet je het nog – Leonard?
Als iemand stom doet, bedenk dan dat het over een poosje voorbij is. Dat ze dan opeens spijt krijgen, omdat ze je zo maar hebben laten gaan!


Ook dit papier werd opgevouwen en in de kaft van mijn dagboek gestopt.
De volgende dag echter, opende ik mijn dagboek en haalde mijn Survival plan er weer uit. Ik vouwde het zo klein mogelijk op en maakte er een gaatje in. Touwtje erdoor en klaar. Ik hing de provisorische ketting om mijn nek. Nou ja… ketting, zo kon je het niet noemen. Het was net als een sleutel die je aan een touwtje om je nek bewaarde. Dit was ook een sleutel – alleen de sleutel naar de vrijheid.
Mijn Survival Plan. Ik legde mijn hand op mijn borst en voelde het briefje. Een warm gevoel doorstroomde me. Ze konden me niets meer maken!
Zo. Ik was er klaar voor. Ik voelde me onoverwinnelijk sinds de vorige avond en deze ochtend. Ik had het gevoel dat ik de wereld nu – eindelijk – aan kon.
Ik zocht mijn rooster op en keek fronsend naar mijn vakken voor vandaag. Oh nee, vandaag had ik Frans en ik had juist de vorige les vreselijk ruzie gemaakt met hem.
Wat maakte het ook uit. Ik had mijn Survival Plan en die vent kon me niets maken. Ik balde mijn vuisten. Hij zou er van lusten!
Ik grijnsde breed naar mezelf in de spiegel en maakte het V-teken. Niemand kon me meer tegen houden!


Wat had ik nog meer voor vakken?
Gym! Ha, leuk! Of wacht… moesten we vandaag niet de handstand overslag van de kast afdoen? Oei, oei, oei. Dat was vreselijk eng. Vandaag moesten we dat toch doen voor een cijfer…? Dat werd een probleem!
Survival Plan, hield ik mezelf voor. Gewoon doen. Kom op, je bent toch niet bang voor een handstandje? Vergeleken met wat je misschien gaat doen – Survival Plan uitvoeren – was het een minisprongetje. Helemaal niets.
Ik ging dit doen, tussen neus en lippen door. Ik zou de rest van de klas versteld laten staan. Ik voelde me sterk en dat gaf een heel goed gevoel.
Ik pakte mijn tas in en liep naar de keuken. Aarzelend stond ik voor de open kastjes. Sinds vandaag zou ik weer gaan ontbijten. Ik had de afgelopen weken gemerkt dat het niet zo slim was om niet te gaan ontbijten. Aan het begin van de dag had ik vreselijke trek gekregen en aan het eind van de dag een stekende hoofdpijn. Vanaf vandaag zou dat ook verleden tijd zijn.
Ik verbaasde me over mezelf. Sinds wanneer was ik zo…?
Sinds ik mijn Survival Plan had gemaakt? Dan had ik dat veel eerder moeten doen!


Volgend hoofdstuk:
Hoofdstuk 13:
Overwinning

Overzicht verhalen
Informatie & voorwaarden
Home
Aanwezige users:


Niet ingelogd



Anno 2012
Pages created by nanny